De tuin, een erg lastig te verdragen symbool van vergankelijkheid

Onze voor-tuin begon op 14 februari 1997 als omgespitte vruchtbare aarde, waarin viooltjes en tulpen waren gezet door de ouders van de voorgaande eigenaren. Het zag er heel lieflijk uit.
Tussen 14 februari en 1 april knapten we ieder weekeinde wat ruimtes in de woning op. Intussen keek ik in de tuin vooral wat er uit de grond kwam, en wat er gebruik van onze tuin probeerde te maken waar we niet zo blij mee waren. Zoals honden, en kinderen die niet van ons waren en waarvan we ook niet wisten van wie die dan wel waren.
.
Op 1 april kwamen we er met de laatste meubels aanrijden en gingen er er definitief wonen.
.
Omdat we Poes, de oude kat, hadden mee genomen naar ons nieuwe huis, en we mijn onafscheidelijke meidje geen strijd op leven en dood wilde aandoen met de lokale honden en hun bezitters, maakten ik al in april van 1997 een laag hek langs de voortuin, dat was voorzien van gaas dat er achterlangs was vast gezet met een niet-pistool.
Het werd roodbruin geschilderd. De kleur van ijzermenie. Want ik wilde niet dat de wolmanzouten er uit zouden lekken. Dat is namelijk chemisch afval. We vroegen de bollenbuur of het op de erfgrens mocht en of hij dan mee zou betalen. Dat wilde hij niet, dus we moesten het hek op onze eigen grond zetten. Zo zijn dan de regels.
[Terzijde omdat dat verderop in de geschiedenis van de tuin belangrijker wordt: Dat hebben we naar eer en geweten gedaan.]
.
Poes stierf in 1998. Ik legde een betonnen slapende poes in de voortuin bij wijze van monument voor haar. De betonnen poes sliep zoals Poes altijd sliep. Opgerold.
.
In 2000 ontdekte ik dat je bij tuincentra zaken kon kopen waarvan ik me in Amsterdam geen voorstelling had kunnen maken. Stomverbaasd was ik dat je zo maar een BOOM kon aanschaffen. No questions asked. En je kon de boom zo maar in de volle grond van je eigen tuin zetten.